Betrouwbaarheid
Betrouwbaarheid is de mate waarin een meetinstrument betrouwbare informatie oplevert. Het vaststellen van de betrouwbaarheid van een meetinstrument kan op vier manieren geburen.
Een betrouwbaar persoon is een persoon die je geen leugens op de mouw spelt. Datzelfde geldt voor meetinstrumenten. Met de vraag naar de betrouwbaarheid van het meetinstrument staat de vraagstelling centraal of het meetinstrument (inclusief de hele manier van werken, het meten of de meetprocedure) geen verkeerde resultaten oplevert. Het antwoord op deze vraag luidt te allen tijde: nee. Elk meetinstrument is in bepaalde mate onbetrouwbaar. Maar .... sommige instrumenten zijn wel betrouwbaarder dan andere.
Een voorbeeld moge dit verduidelijken. Er zijn verschillende meetinstrumenten om de lengte te meten. Volstrekt onbetrouwbare meetinstrumenten zijn de armen, voeten en duimen van mensen. Toch hebben deze methoden lange tijd dienst gedaan en ze werkten prima voor de doeleinden waarvoor de mensen deze meetinstrumenten gebruikten. Maar ze waren verre van optimaal. Mensen die stof kochten bij een grote marktkoopman kregen meer waar voor hun geld dan wanneer ze de stof kochten bij een kleinere koopman. Dit heeft zelfs tot enige jurisprudentie geleid door de mensen die zich bekocht voelden. Daarom is men overgegaan tot een standaardeenheid: de meter. Deze werd gedefinieerd als de lengte van een zilveren staaf bij een temperatuur van 20 graden Celsius. Deze afstand is te verdelen in honderd stukjes (de centimeter) of in duizend stukjes (de millimeter) of veelvouden daarvan (de hectometer en de kilometer). Helaas blijken de meetinstrumenten die gebaseerd zijn op de meter ook niet geheel betrouwbaar. Het meetlint kan in de loop der tijd iets zijn uitgerekt, en een metalen liniaal meet door wisselingen in de temperatuur soms iets kleiner en soms iets groter (al was het maar in honderdsten van millimeter).
Niet alleen een verandering in het meetinstrument kan de score beïnvloeden. Het kan ook liggen aan het te meten kenmerk zelf. Als een persoon 's morgenvroeg gemeten wordt dan is hij wat langer dan wanneer dezelfde persoon 's avonds gemeten wordt. Dit komt doordat de persoon door de verrichte arbeid van die dag vermoeid is geraakt en daardoor letterlijk iets in elkaar is gezakt. Kortom, ook door variatie bij het te meten object ontstaat er variatie in de meetresultaten.
Een score die het meetinstrument aan het kenmerk van een onderzoekseenheid toekent, kan aldus beschouwd worden als een optelling van een aantal factoren. In woorden kan men stellen dat de gemeten score bepaald wordt door een sommatie van de factoren die bestaan uit de werkelijke score van het kenmerk, de afwijking als gevolg van de stand van dat kenmerk op het moment van meten en de afwijking in de stand van het meetinstrument op het moment van meten (zie formule).

Een meetinstrument is betrouwbaar als deze scores toekent aan kenmerken waarvan de afwijking in de meting niet aan het meetinstrument (of aan de meetmethode) is te wijten. Met andere woorden, men streeft als onderzoeker naar een situatie waarin Ameetinstr nul is. In dat geval zijn alle vormen van bias uitgesloten.
Er zijn vier methoden om de betrouwbaarheid van een meetinstrument vast te stellen. Elke methode heeft een eigen naam: interne consistentie, homogeniteit, a-specificiteit en stabiliteit.
© Foeke van der Zee / BMOOO - Woordenboek onderzoek, methodologie en statistiek
Zie ook:
- betrouwbaarheid (algemeen)
- interne consistentie
- homogeniteit
- a-specificiteit
- stabiliteit
- meten
- operationaliseren
- bias






