Toetsvragen


Hieronder staat een reeks vragen over onderzoek. We hebben ze zelf ooit eens bedacht. Maak er vrijelijk gebruik van.

De vragen zijn gebaseerd op de boeken Kennisverwerving in de Empirische Wetenschappen en Methodologie voor onderzoek in .... Daar vindt u ook de antwoorden.


Overzicht van de toetsvragen


I Terminologie (algemeen)

II Over de onderzoeksopzet
   a terminologie
   b de vraagstelling
   c het methodologisch handelingsmodel

III Over meten en meetinstrumenten
   a terminologie
   b vormen van meten
   c validiteit
   d betrouwbaarheid

IV Over steekproeftrekken
   a de theorie van het steekproeftrekken
   b vormen van steekproeftrekken
   c uitval en non-respons

V Over het onderzoeksdesign
   a terminologie
   b concrete invullingen

VI Over het analyseren van gegevens
   a terminologie
   b methoden
   c over statistiek

VII Rapportage
   a rapportage vormen
   b bronvermeldingen

VIII Over soorten / typen onderzoek
   a terminologie
   b vergelijken van onderzoek

IX Ethiek en filosofie

X Een aantal multiple choice vragen (willekeurig naar onderwerp)

 

I Terminologie (Algemeen)

– Geef een definitie van onderzoek.

– Een veelgehoorde term is 'empirisch onderzoek'.
   a) Leg uit wat men onder 'empirisch' of 'de empirie' verstaat.
   b) Geef aan wat empirisch onderzoek is.
   c) Als er empirisch onderzoek is, dan zou er ook niet-empirisch onderzoek moeten zijn. Bestaat dat? En zo ja, noem eens een voorbeeld?
   d) Velen beschouwen simulatie als een vorm van empirisch onderzoek. Leg uit waarom dat zo is en welke argumenten heb je om dat juist niet tot empirisch onderzoek te rekenen.

 

II Over de onderzoeksopzet

terminologie
– Beschrijf de begrippen probleemstelling en vraagstelling.

– Uit welke onderdelen bestaat  ‘het onderzoek op de tekentafel’ en waarom wordt dit zo genoemd?

– Wat is methodologische validiteit?


de vraagstelling
– Aan welke eisen moet een vraagstelling voor een onderzoek voldoen?

– Wat is een te open en wat een te gesloten vraagstelling?

– In welke vier categorieën kunnen vraagstellingen worden onderverdeeld wat betreft het beantwoorden ervan?

– Noem eens een voorbeeld van een vraagstelling voor onderzoek die tot het vakgebied van de <sociale wetenschappen / economie / bedrijfskunde, etc.> hoort, en die valt in de categorie ‘irrelevante vragen’, ‘momenteel niet te beantwoorden vragen’, ‘te beantwoorden door middel van onderzoek’ en ‘direct te beantwoorden’.


het methodologisch handelingsmodel
– Beschrijf het methodologisch handelingsmodel van onderzoek.

– Het methodologisch handelingsmodel is van toepassing op elke vorm van onderzoek.
   a) Geef een concrete invulling van het handelingsmodel voor een literatuurstudie.
   b) Geef een concrete invulling van het handelingsmodel voor een gesprek met deskundigen.
   c) Geef een concrete invulling van het handelingsmodel voor een grootschalig survey-onderzoek.

 

III Over meten en meetinstrumenten

terminologie
– Wat is operationaliseren?

– Wat is reductie?

– Wat verstaat men onder ‘het uitgebreide meetinstrument’?


vormen van meten
– Welke vijf vormen van ‘meten’ (in methodologische zin) zijn te onderscheiden?

– Wat is kenmerkend voor een ‘echt’ meetinstrument?

– Noem drie redenen waarom een onderzoeker een ‘echt’ meetinstrument zal prefereren boven een andere vorm voor het verzamelen van de gegevens?

– Wat zijn de beperkingen van observeren?

– Wat zijn methodologisch gezien de observatiecriteria? Geef een concreet voorbeeld voor het meten van <aandacht / uitgaven / uithoudingsvermogen>.

– Wat zijn de ‘empirische gegevens’ bij ondervragen?

– Welke vier hoofdvormen (naar medium) van interviewen/enquêteren worden onderscheiden?

– Wat is kenmerkend voor een suggestieve vraag? Noem een voorbeeld.

– Wat is een open, een gesloten en wat een halfopen vraag? Geef een voorbeeld van een halfopen vraag.

– Noem de vijf belangrijkste vormen van gesloten vragen.

– Waarom hebben vragenlijsten die schriftelijke worden verzonden meestal geen (of heel weinig) open vragen?

– Aan welke voorwaarden (aantal en soort vragen die men wil stellen) moet worden voldaan als men telefonische interviews wil afnemen?

– Noem drie voordelen en drie nadelen van telefonisch interviewen?

– Noem drie voordelen en drie nadelen van een vragenlijst die per post wordt verzonden (schriftelijk onderzoek) in vergelijking met een persoonlijk of telefonisch interview?

– Welke eisen kunnen worden gesteld aan een vragenlijst die schriftelijk moet worden afgenomen? (Er zijn vele, maar noem er vijf.)

– Noem drie voordelen van het verrichten van metingen in een laboratorium?


validiteit
– Er zijn twee hoofdvormen van validiteit predictieve validiteit en inhoudsvaliditeit. Wat is het verschil tussen beide?

– Bij predictieve validiteit staat de vraag centraal of het meetinstrument een  voorspellende waarde heeft. Stel je hebt een instrument gemaakt waarmee je de beursnoteringen kunt voorspellen. Hoe zou je de predictieve validiteit daarvan willen vaststellen?

– Welke redenen zijn er om het begrip face-validiteit toch als een belangrijke term te handhaven?


betrouwbaarheid
– Wat is betrouwbaarheid?

– Waarom kunnen we bij de meeste meetinstrumenten niets over de betrouwbaarheid zeggen?

 

IV Over steekproeftrekken

de theorie van het steekproeftrekken
– Noem de twee belangrijkste redenen om een steekproef te trekken.

– Welke twee eisen worden gewoonlijk gesteld aan de steekproef?

– Wat wordt bedoeld met een representatieve steekproef? Is dat wat de onderzoeker wil?

– Wat is representativiteit? Hoe stel je vast of de respons representatief is?

– Van welke drie aspecten is het afhankelijk om de minimale steekproefgrootte te berekenen?


vormen van steekproeftrekken
– Wat is een steekproeftrekking met teruglegging? Waarom wordt die (eigenlijk) nooit gebruikt?

– Er zijn negen manieren van steekproeftrekken. Noem er vijf.

– Beschrijf de procedure van het trekken van een systematische steekproef met a-select begin.

– Wat is een quota-steekproef?


uitval en non-respons
– Wat is selectieve of differentiële uitval?

– Wat is legitieme en wat ongeoorloofde uitval?

– Welke factoren zijn bij mensen bepalend of men wel of niet mee wil doen aan een onderzoek?

– Wat is ‘interne motivatie’ en wat is ‘externe motivatie’?

– Wat is het nut van non-respons onderzoek?

– Wat is oversampelen?

– In welke twee categorieën kan men de redenen indelen om niet deel te nemen aan een onderzoek?

– Wat is het voordeel van strategisch sampelen van respondenten? Wat voor effect heeft dat op het berekenen van een totaal gemiddelde voor de populatie?

– Hoe kun je met een responsverdeling omgaan, als blijkt dat die niet overeenkomt men de populatieverdeling?

– Als men de vragenlijst niet invult omdat men de Nederlandse taal niet (voldoende) machtig is, zou dat er toe kunnen leiden dat de respons niet representatief is. Bedenk een aantal manieren om dat - zo goed en zo kwaad - te voorkomen bij de afname van vragenlijsten op straat of via de telefoon.

 

V Over het onderzoeksdesign

terminologie
– Wat is het onderzoeksdesign?

– Waarom is het onderzoeksdesign een kernachtige weergave van het methodologisch correct redeneren?

– Bij het opstellen van het onderzoeksdesign gebruikt men bepaalde letters die een bepaalde betekenis hebben. Waarvoor staan de t, de O en de X in het onderzoeksdesign? En waarvoor de R en de M?

– Verklaar de termen experimentele groep en controle groep. En ook de termen experimentele conditie en controle conditie.

– Wat is matchen en wat is randomiseren?

– Welke twee vormen van matchen zijn er te onderscheiden?


concrete invullingen
– Schets de onderzoeksdesigns voor
   a) een exploratief onderzoek
   b) een beschrijvend onderzoek
   c) een vergelijkend onderzoek
   d) een evaluerend of evaluatie onderzoek (twee vormen)
   e) een toetsend onderzoek
   f) een longitudinaal onderzoek.

– Een onderzoeker doet een voormeting en een nameting. Voor beide metingen heeft hij een aparte steekproef getrokken. Hoe zouden deze gegevens formeel in de datamatrix moeten worden opgeslagen? (Schets ook het onderzoeksdesign hierbij.) Als men de gegevens invoert zoals het formeel moet, dan zijn er geen programma’s die daar statistische analyses op los kunnen laten. Er zijn twee oplossingen denkbaar. Welke?

 

VI Over het analyseren van gegevens

terminologie
– Wat is een variabele?

– Welke niveaus kan een variabele hebben? Hoe zijn ze van elkaar te onderscheiden?

– Wat zijn experimentele en niet-experimentele variabelen?

– Wanneer is een variabele irrelevant? Bestaan er wel irrelevante variabelen?

– Wat is een samengestelde variabele?

– Wanneer is sprake van secundaire analyse?

– Wat is het verschil tussen kwalitatieve en kwantitatieve gegevens?

– Wat is kanskapitalisatie?

– Waarom is het belangrijk om bij de analyses altijd te beginnen met de analyses van de respons - non-respons en representativiteit?


methoden
– Noem een aantal vormen van het gesproken woord. Er zijn heel veel manieren om het gesproken woord te analyseren. Noem er drie.

– Op welke drie manieren kun je met het geschreven woord omgaan?

– Beschrijf de zeven stappen van protocolanalyse.

– Hoe kun je van beeld- en geluidsmateriaal en voorwerpen de gegevens opnemen in een kwantitatieve analyse?

– Hoe voert men de kwantitatieve gegevens in in een datamatrix? Wat staat horizontaal achterelkaar in rijen? En wat verticaal in de kolommen?

– Wat is een codeboek en wat staat erin?

– Wat zijn logische fouten en wat zijn onmogelijkheden bij de ingevoerde data?

– Zijn onmogelijke fouten (onmogelijkheden) te verbeteren? En hoe zit dat met logische fouten?

– Wat is het verschil tussen onafhankelijke en gepaarde waarnemingen? En hoe uit zich dat in de datamatrix?

– Waarom moet (mag of kun) je niet alleen letten op significante uitkomsten van de statistische toetsen?

– Wanneer neem je covariabelen op in je analyses?

– Wanneer neem je een wegingscoëfficiënt op in je analyses?

– Waarom bereken je een betrouwbaarheidsinterval?


Over statistiek
– Wat is (statistisch gezien) een hypothese?

– Hoe ziet de toetsprocedure van Fisher eruit? Beschrijf de zeven stappen.

– Hoe formuleer je een nulhypothese en hoe de alternatieve hypothese? Toets je altijd tegen een verschil van nul?

– Waarom is toetsen in de statistiek ‘een conservatieve methode’?

– Wat zijn gebruikelijke alpha-waarden?

– Wat is het verschil tussen eenzijdig en tweezijdig toetsen?

– Een onderzoek heeft ooit eens aangetoond dat er een causale relatie bestaat tussen het aantal ooievaars en het aantal kinderen dat in dat jaar geboren werd. Kan onderzoek deze uitspraak ooit bewijzen? Waarom niet? Heb je enig idee wat er aan de hand is geweest?

 

VII Rapportage

Rapportage vormen
- Noem drie voordelen en drie nadelen van mondelinge rapportage?

- Noem drie voordelen en drie nadelen van schriftelijke rapportage?

- Noem drie voordelen en drie nadelen van audiovisuele rapportage?

– Geef de algemene opzet van een onderzoeksrapport.

– Waarom is het meestal niet goed mogelijk om de uitkomsten (van sociaal wetenschappelijk onderzoek) uit het onderhanden onderzoek te vergelijken met de uitkomsten uit ander onderzoek?

– Wat is generalisatie in methodologische zin? (Er zijn zelfs drie soorten generalisatie.) Noem andere termen.


Bronvermeldingen
– Op welke manieren kun je in een lopende tekst aangeven dat deze letterlijk uit een ander boek of tijdschrift is overgenomen.

– Maak een literatuurverwijzing naar het boek van Dirk Pietersen, Johannes Benedictus en Maria van der Zwaan dat door uitgeverij Kiewiet in 2001 is gepubliceerd. De titel van het boek luidt: Visies op wetenschap.

– Maak een literatuurverwijzing naar het artikel 'Ethische bezwaren tegen Orgaandonatie' van Jan Merkelbach in het Nederlands Tijdschrift voor de Geneeskunde uit 2005. Het artikel is gepubliceerd in het februarinummer en staat op pagina 108 t/m 112.

– Als je een variantieanalyse hebt uitgevoerd, welke statistische grootheden worden dan opgenomen in het onderzoeksverslag? Geef een voorbeeld van hoe dat dan moet.

 

VIII Over soorten / typen onderzoek

terminologie
– Wat is het verschil tussen toegepast onderzoek en fundamenteel onderzoek? Geef van elk een voorbeeld.

– Een wetenschappelijk onderzoek bestaat vaak uit een aantal deelstudies. Welke typen deelstudies zijn te onderscheiden?

– Wat is het onderscheid tussen kwalitatief en kwantitatief onderzoek? En wat is een casestudy eigenlijk?

– Wat zijn de kenmerkende verschillen tussen een kwalitatief onderzoek en een kwantitatief onderzoek?

– Wat is een survey?

– Wat is mysteryshopping?

– Beschrijf actieonderzoek met eigen woorden.

– Wat verstaat men in actieonderzoek onder ‘spreken met’ en ‘spreken over’?


Vergelijken van de diverse vormen (voor- en nadelen)
– Noem drie voordelen en drie nadelen van
   a) simulatieonderzoek
   b) laboratoriumonderzoek
   c) mysteryshopping of mysteryresearch
   d) actieonderzoek

– Waarom is het zo moeilijk om een verklarend onderzoek in het veld uit te voeren?

– Velen plaatsen vraagtekens bij actieonderzoek omdat het zo persoonlijk gekleurd is door de onderzoeker. Maar hoe zit dat dan bij de andere vormen van onderzoek? Zijn die dan niet persoonlijk gekleurd?

– Welke aanvullende eisen wordt aan de actieonderzoeker gesteld om tot (wetenschappelijk) aanvaardbare onderzoeksresultaten te komen?

 

IX Ethiek en filosofie

– Ze zeggen wel eens dat iets pas waar is als het wetenschappelijk is onderzocht. Wat vind jij van deze opvatting?

– Waarom is de onderzoeker geen probleemoplosser?

– Klopt de stellingname wel dat onderzoeker geen problemen oplost? Van een psychotherapeut, een orthopedagoog, maar ook van een dokter en een organisatieadviseur wordt toch verwacht dat zij onderzoek verrichten en problemen oplossen. Hoe zit dat nou eigenlijk?

– Bedenk vijf mogelijke oorzaken (redenen) waarbij het probleem van de opdrachtgever nog altijd bestaat, maar hij het advies van de onderzoeker om het probleem op te lossen niet zal opvolgen?

 

X Een mengelmoes aan multiple choice vragen

1)  Wat is een andere term voor bureauonderzoek?

A)  Field research
B)  Experimental research
C)  Designig research
D)  Desk research


2)  Het telefonisch ondervragen van personen is een typisch voorbeeld van …

A)  … het verrichten van veldonderzoek
B)  … het verrichten van veldwerk
C)  … het verrichten van onderzoek in het veld
D)  … het verrichten van onderzoek over het veld


3)  Wat is een primaire bron?

A)  Het verslag van een journalist
B)  Een gegeven uit een ander onderzoek
C)  Een gegeven uit een onderzoeksverslag
D)  Een gegeven uit eigen onderzoek


4)  Wat is een secundaire analyse?

A)  Het nogmaals analyseren van hetzelfde materiaal met dezelfde technieken
B)  Het nogmaals analyseren van hetzelfde materiaal met andere technieken
C)  Het analyseren van gegevens dat voor andere doeleinden is verzameld
D)  Een analyse waarmee een second opinion kan worden gegeven


5)  Wat is operationaliseren?

A)  Het beschrijven van het onderzoeksproces
B)  Het uitwerken van een onderzoeksontwerp
C)  Het vertalen van theoretische begrippen en waarneembare variabelen
D)  Het uitvoeren van een onderzoek


6)  Wat is de meetfout?

A)  Het verschil tussen de ware score en de gevonden score
B)  Het gemiddelde verschil in de gevonden scores
C)  De spreiding rond de ware score
D)  De gemiddelde spreiding rond de ware score


7)  Wat is predictieve validiteit?

A)  De indruk die de maker heeft wat betreft de kwaliteit van de test
B)  De indruk die de maker heeft over de inhoud van de test
C)  De mate waarin de test gebeurtenissen kan voorspellen
D)  De mate waarin de onderzoeksresultaten ook te gebruiken zijn buiten het laboratorium


8)  Wat betekent de uitspraak 'de uitkomst is statistisch significant'?

A)  Het onderzoeksresultaat is duidelijk te verklaren uit de gegevens
B)  Het onderzoeksresultaat is opmerkelijk
C)  De uitkomst berust niet op toeval
D)  De uitkomst uit de gegevens overschrijdt een kritieke waarde


9)  Wat voor type onderzoek is 'het verrichten van een proefboring om vast te stellen hoeveel gas er in de bodem zit'?

A)  Een kwalitatief onderzoek
B)  Een kwantitatief onderzoek
C)  Een veldexperiment
D)  Een beschrijvend onderzoek


10)  Wat voor type onderzoek voert een huisarts uit als die de longen van een patiënt onderzoekt?

A)  Een case studie
B)  Een survey
C)  Een veldstudie
D)  Een experiment


11)  Wat is actieonderzoek?

A)  Onderzoek van een actie
B)  Onderzoek in uitvoering
C)  Onderzoek door een beïnvloeder
D)  Onderzoek in een veranderlijke wereld


12)  Een typisch voorbeeld van veldonderzoek is …

A)  … een literatuurstudie naar vrijgevigheid
B)  … het maken van een spectrogram van natriumchloride
C)  … een simulatieonderzoek naar de toekomstige winkelverkopen
D)  … onderzoek met behulp van enquêteurs en enquêtrices


13)  In welk soort onderzoek is kapitaliseren op kansen het grootst?

A)  In kwantitatief onderzoek
B)  In kwalitatief onderzoek
C)  In beschrijvend onderzoek
D)  In exploratief onderzoek


14)  Met de test–hertest methode kan men …

A)  … de meetfout van een test vaststellen
B)  … de homogeniteit van een test vaststellen
C)  … de betrouwbaarheid van een test vaststellen
D)  … de nauwkeurigheid van een test vaststellen


15)  Wat is een groot nadeel van onderzoek in het veld (in vergelijking met onderzoek in een laboratorium)?

A)  Men heeft niet alle storende variabelen onder controle
B)  Een experimentele opzet (met bijvoorbeeld controle groepen) is niet mogelijk
C)  Men vindt het minder plezieriger om thuis aan het onderzoek deel te nemen
D)  Mensen die deelnemen aan het onderzoek zijn zich er heel erg bewust van zij onderzocht worden


16)  Wat is een groot nadeel van onderzoek in het laboratorium (in vergelijking met onderzoek in het veld)?

A)  Men is niet goed in staat de storende variabelen onder controle te houden
B)  De uitkomsten kunnen in de alledaagse praktijk heel anders uitvallen
C)  Mensen zijn minder bereid om naar de plek te gaan waar het onderzoek wordt uitgevoerd
D)  Mensen die deelnemen aan het onderzoek zijn zich er heel erg bewust van zij onderzocht worden


17)  Van welk soort bias heeft men geen last bij het observeren in een natuurlijke situatie?

A)  Onderzoeker–bias
B)  Respondent–bias
C)  Achtergrond–bias
D)  Observator–bias


18)  Wat is een 'open interview'?

A)  Dat is een interview over een onderwerp zonder einde
B)  Dat is een interview over een onderwerp zonder gespreksleidraad
C)  Dat is een interviewmethode die geschikt is voor meerdere personen tegelijkertijd
D)  Dat is een interviewmethode waarvan je niet weet waarover het gaat


19)  Een voordeel van schriftelijk enquêteren is (in vergelijking met persoonlijk of telefonisch ondervragen) dat men geen last heeft van …

A)  … sociale wenselijkheid
B)  … verkeerd begrepen vragen
C)  … enquêteurs–bias
D)  … respondent–bias


20)  Een nadeel van telefonisch enquêteren (in vergelijken met schriftelijk enquêteren) is …

A)  … dat de interviewer de antwoorden van de respondent op moet schrijven
B)  … dat men de personen altijd op ongelegen momenten lastig valt
C)  … dat er geen controle is op het sociaal wenselijk beantwoorden van de vragen
D)  … dat men veel last heeft van non-respons


21)  Van welke factor hangt de steekproefgrootte niet af?

A)  De mate van onnauwkeurigheid in de meting waarmee men genoegen neemt
B)  Het aantal variabelen en het aantal antwoordcategorieën per vraag
C)  De heterogeniteit in de populatie
D)  De grootte van de populatie


22)  Hoe noemt men het trekken van een steekproef van personen uit adresboek van de directeur van een bedrijf waarbij de directeur aangeeft een persoon wel of niet te benaderen?

A)  Een a–willekeurige steekproef
B)  Een quotum steekproef
C)  Een cluster steekproef
D)  Een a–selecte steekproef


23)  Uit de hele Nederlandse bevolking moet een steekproef worden getrokken van ongeveer 1000 personen. Men doet dit door eerst een willekeurige selectie te maken uit een aantal steden en vervolgens per stad willekeurig tien straten te selecteren. Vervolgens lopen enquêteurs langs alle huizen in die straten om de bewoners te interviewen. Hoe heet een dergelijke wijze van steekproeftrekken?

A)  Een quotum steekproeftrekking
B)  Een gestratificeerde steekproeftrekking
C)  Een sneeuwbal–steekproeftrekking
D)  Een tros–steekproeftrekking


24)  Wat is een goed voorbeeld van een systematische steekproef met aselect begin?

A)  Uit een pool van 1000 personen worden aselect 100 personen benaderd
B)  Uit een pool van 1000 personen neemt men elke 10-de persoon
C)  Uit een pool van 1000 personen selecteert men 20 groepjes van 5 personen naast elkaar
D)  Uit een pool van 1000 personen kiest men de eerste vier personen wiens achternaam begint met de letter A, daarna de eerste 4 personen wiens achternaam begint met de letter B, etc.


25)  Het onderzoeksdesign is …

A)  … het geheel van meetmomenten en indeling in groepen
B)  … het ontwerp van een onderzoek op de tekentafel
C)  … een ruwe omschrijving van het onderzoek in woorden
D)  … de omschrijving van het onderzoek die naar de opdrachtgever gaat


26)  Wat is een onderzoeksdesign?

A)  Een schema met tijdstippen voor het verzamelen van de gegevens
B)  Het ontwerp van een enquête in onderwerpen en steekwoorden
C)  Een schema met de uit te voeren analyses
D)  De manier waarop de steekproef zal worden getrokken


27)  Met behulp van experimenteel onderzoek is men goed in staat om …

A)  … causaliteitsrelaties te bewijzen
B)  … relevante variabelen te manipuleren
C)  … conclusies te trekken met een hoge externe validiteit
D)  … wetenschappelijk aanvaardbare uitspraken te doen


28)  Hoe heet het selectief toewijzen van personen aan een indeling van experimentele en controle groepen na het meten van relevante kenmerken?

A)  Rondom toewijzen
B)  Matchen
C)  Counterbalancing between subjects
D)  Counterbalancing within subjects


29)  Indien men de validiteit van een onderzoeksinstrument wil vaststellen, welke statistische analyse is dan het meest geschikt?

A)  Variantie–analyse
B)  Correlatie–analyse
C)  Discriminant–analyse
D)  Betrouwbaarheidsanalyse (reliability)


30)  Voor het uitvoeren van een variantieanalyse heeft men nodig …

A)  … een onafhankelijke variabele op nominaal niveau en een afhankelijke op nominaal niveau
B)  … een onafhankelijke variabele op nominaal niveau en een afhankelijke op interval    niveau
C)  … een onafhankelijke variabele op interval    niveau en een afhankelijke op nominaal niveau
D)  … een onafhankelijke variabele op interval    niveau en een afhankelijke op interval    niveau


31)  Voor het berekenen van een productmoment correlatiecoëfficiënt heeft men nodig …

A)  … een variabele op nominaal niveau en een op nominaal niveau
B)  … een variabele op nominaal niveau en een op ordinaal niveau
C)  … een variabele op ordinaal niveau en een op interval niveau
D)  … een variabele op interval niveau en een op interval niveau


32)  Wat is de eenheid (de maat) voor het berekenen van een samenhang tussen twee variabelen op nominaal niveau met twee niveaus elk (oftewel een 2 x 2 – tabel)?

A)  phi
B)  omega
C)  tau
D)  lambda


33)  Als u de leeftijd van mensen opvraagt in categorieën van 10, wat voor soort variabele heeft u dan?

A)  Een nominale variabele
B)  Een ordinale variabele
C)  Een interval variabele
D)  Een ratio variabele


34)  Het geslacht van een persoon is een typisch voorbeeld van een variabele op …

A)  … nominaal niveau
B)  … ordinale niveau
C)  … interval niveau
D)  … ratio niveau


35)  Een onafhankelijke variabele is een variabele die …

A)  … fluctueert ten opzichte van de afhankelijke variabele
B)  … door de onderzoeker wordt vastgelegd
C)  … met geen andere variabele een relatie heeft
D)  … een irrelevante variabele


36)  Wat is een goed voorbeeld van een ratioschaal?

A)  De thermometer
B)  De barometer
C)  De intelligentietest
D)  De meter voor de benzinetank


37)  Voor het verrichten van statistische analyses wordt vaak normaal verdeeld zijn van de variabelen verondersteld. Bij welk aantal wordt (theoretisch gezien) aan deze veronderstelling voldaan?

A)  10
B)  30
C)  66
D)  105


38)  Sommige apparaten werken nauwkeuriger dan andere. Bij de snelheidsmeting in het verkeer hanteert de overheid een nauwkeurigheidsmarge van 2% en een betrouwbaarheidsmarge van 5%. Als je ergens honderd mag rijden, bij welke (feitelijke of ware) snelheid krijg je dan zeker een bekeuring thuisgestuurd?

A)  Bij meer dan 100 km per uur
B)  Bij meer dan 102 km oer uur
C)  Bij meer dan 105 km per uur
D)  Bij meer dan 107 km per uur


39)  Een winkelier heeft gemiddeld genomen op zaterdag een omzet van € 100.000,-- met een standaard deviatie van € 15.000,-- . Op een zaterdag voor Kerst is de omzet € 118.750,-- . Is dit significant meer dan op de andere zaterdagen?

A)  Ja
B)  Nee
C)  Dit is niet te zeggen, want je weet niet of het om een- of tweezijdig toetsen gaat
D)  Dit is niet te zeggen, want je moet ook de nauwkeurigheid en de betrouwbaarheid weten


40)  Wat is de bèta–fout?

A)  Het complement van de alpha–fout
B)  Een fout van de eerste soort
C)  De statistische kans op het ten onrechte verwerpen van de nul–hypothese
D)  De statistische kans op het ten onrechte verwerpen van de alternatieve–hypothese